Day 2
De hierna overgenomen bijbelteksten werden ontleend aan “De Nieuwe Bijbelvertaling” © Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, 2004.
Links: www.biblija.net - www.bijbelvlaanderen.be - www.vlaamsebijbelstichting.be
2° DAG : GETUIGEN DOOR ONZE ERVARINGEN TE DELEN
| Jer 1, 4-8 |
||
| De HEER richtte zich tot mij: ‘Voordat ik je vormde in de moederschoot, had ik je al uitgekozen, voordat je de moederschoot verliet, had ik je al aan mij gewijd, je een profeet voor alle volken gemaakt.’ Ik riep: ‘Nee, HEER, mijn God! Ik kan het woord niet voeren, ik ben te jong.’ Maar de HEER antwoordde: ‘Zeg niet: “Ik ben te jong.” Richt je tot iedereen naar wie ik je zend en zeg alles wat ik je opdraag. Wees voor niemand bang, want ik zal je ter zijde staan en je redden – spreekt de HEER.’ |
||
| Ps 98(97) |
||
Zing voor de HEER een nieuw lied: wonderen heeft hij verricht. Zijn rechterhand heeft overwonnen, zijn heilige arm heeft redding gebracht. De HEER heeft zijn overwinning bekendgemaakt, voor de ogen van de volken zijn gerechtigheid onthuld. Hij heeft gedacht aan zijn liefde en trouw voor het volk van Israël. De einden der aarde hebben het gezien: de overwinning van onze God. Juich de HEER toe, heel de aarde, juich en jubel, zing het uit. Zing voor de HEER bij de lier, laat bij de lier uw lied weerklinken. Blaas op de ramshoorn en de trompetten, juich als de HEER, uw koning, verschijnt. Laat bruisen de zee en alles wat daar leeft, laat juichen de wereld met haar bewoners. Laten de rivieren in de handen klappen en samen met de bergen jubelen voor de HEER, want hij is in aantocht als rechter van de aarde. Rechtvaardig zal hij de wereld berechten, de volken oordelen naar recht en wet. |
||
| Hand 14, 21-23 | ||
| In Derbe verkondigden Paulus en Barnabas het evangelie en ze maakten er veel leerlingen. Daarna keerden ze terug naar Lystra en vervolgens naar Ikonium en Antiochië. Ze bemoedigden de leerlingen en spoorden hen aan te volharden in het geloof, maar wezen hun erop ‘dat wij pas na veel beproevingen het koninkrijk van God binnen kunnen gaan’. In elke gemeente stelden ze oudsten aan, en na gevast en gebeden te hebben bevalen ze hen aan bij de Heer, in wie ze hun vertrouwen hadden gesteld. | ||
| Lc 24, 13-17a |
||
| Diezelfde dag gingen twee van de leerlingen op weg naar een dorp dat Emmaüs heet en zestig stadie van Jeruzalem verwijderd ligt. Ze spraken met elkaar over alles wat er was voorgevallen. Terwijl ze zo met elkaar in gesprek waren, kwam Jezus zelf naar hen toe en liep met hen mee, maar hun blik werd vertroebeld, zodat ze hem niet herkenden. Hij vroeg hun: ‘Waar loopt u toch over te praten?’ |