Day 7
De hierna overgenomen bijbelteksten werden ontleend aan “De Nieuwe Bijbelvertaling” © Nederlands Bijbelgenootschap, Haarlem, 2004.
Links: www.biblija.net - www.bijbelvlaanderen.be - www.vlaamsebijbelstichting.be
7° DAG : GETUIGEN DOOR HOOP EN VERTROUWEN
| Job 19, 23-27 |
||
| O, mochten mijn woorden worden opgeschreven, vastgelegd in een inscriptie, met een ijzeren stift gegrift, met lood gevuld, voor altijd in de rotsen uitgehouwen! Ik weet: mijn redder leeft, en hij zal ten slotte hier op aarde ingrijpen. Hoezeer mijn huid ook is geschonden, toch zal ik in dit lichaam God aanschouwen. Ik zal hem aanschouwen, ik zal hem met eigen ogen zien, ik, geen ander, heel mijn binnenste smacht van verlangen |
||
| Ps 63(62) |
||
| Een psalm van David, toen hij in de woestijn van Juda was. God, u bent mijn God, u zoek ik, naar u smacht mijn ziel, naar u hunkert mijn lichaam in een dor en dorstig land, zonder water. In het heiligdom heb ik u gezien, uw macht en majesteit aanschouwd. Uw liefde is meer dan het leven, mijn lippen zingen uw lof. U wil ik prijzen, mijn leven lang, roepend uw naam, de handen geheven. Dan wordt mijn ziel verzadigd met uw overvloed, jubel ligt op mijn lippen, mijn mond zal u loven. Liggend op mijn bed denk ik aan u, wakend in de nacht prevel ik uw naam. U bent altijd mijn hulp geweest, ik juichte in de schaduw van uw vleugels. Ik ben aan u gehecht, met heel mijn ziel, uw rechterhand houdt mij vast. Laat verzinken in de diepten der aarde wie mij naar het leven staan, laat ten prooi vallen aan de jakhalzen wie mij uitleveren aan het zwaard. Maar de koning zal zich verheugen in God, wie hem trouw zweert, prijst zich gelukkig – leugenaars wordt de mond gesnoerd. |
||
| Hand 3, 1-10 | ||
| Op een dag gingen Petrus en Johannes zoals gewoonlijk omstreeks het negende uur naar de tempel voor het middaggebed. Men had ook een man die al sinds zijn geboorte verlamd was naar de tempel gebracht; hij werd daar elke dag neergelegd bij de poort die de Schone heet, om te bedelen bij de bezoekers van de tempel. Toen hij zag dat Petrus en Johannes de tempel wilden binnengaan, vroeg hij om een aalmoes. Petrus richtte zijn blik op hem, evenals Johannes, en zei: ‘Kijk ons aan.’ De bedelaar keek naar hen op, in de verwachting iets van hen te krijgen. Maar Petrus zei: ‘Geld heb ik niet, maar wat ik wel heb, geef ik u: in de naam van Jezus Christus van Nazaret, sta op en loop.’ Hij pakte hem bij zijn rechterhand om hem overeind te helpen. Onmiddellijk kwam er kracht in zijn voeten en enkels. Hij sprong op, ging staan en begon te lopen. Daarna ging hij samen met hen de tempel binnen, lopend en springend en God lovend. Alle tempelbezoekers zagen hem lopen en hoorden hem God loven. Ze herkenden hem als de bedelaar die altijd bij de tempelpoort had gezeten en waren buiten zichzelf van verbazing over wat er met hem was gebeurd. | ||
| Lc 24, 36-40 |
||
| Terwijl ze nog aan het vertellen waren, kwam Jezus zelf in hun midden staan en zei: ‘Vrede zij met jullie.’ Verbijsterd en door angst overmand, meenden ze een geestverschijning te zien. Maar hij zei tegen hen: ‘Waarom zijn jullie zo ontzet en waarom zijn jullie ten prooi aan twijfel? Kijk naar mijn handen en voeten, ik ben het zelf! Raak me aan en kijk goed, want een geest heeft geen vlees en beenderen zoals jullie zien dat ik heb.’ Daarna toonde hij hun zijn handen en zijn voeten. |